Bij sociaal-emotionele ontwikkeling gaat het om de ontwikkeling van het gevoelsleven en de persoonlijkheid, het leren omgaan met anderen en het aanleren van sociale vaardigheden. Dit leidt tot sociaal en emotioneel welbevinden bij een kind.
- Identiteit
– door het meer vergelijken met anderen ontwikkelt de identiteit zich
– kinderen kunnen steeds beter reflecteren op zichzelf en wat hun mogelijkheden, beperkingen, (uiterlijke) kenmerken, wensen, gevoelens en eigenschappen zijn
– ze worden steeds kritischer in hoe ze niet willen zijn
- Emoties
– emotioneel worden steeds stabieler
– zelfvertrouwen neemt toe
– behoefte aan zelfstandigheid, privacy, een eigen mening en verantwoordelijkheid neemt toe
– leren zich beter in de situatie van andere kinderen te verplaatsen
– angst voor bijvoorbeeld donker, donder, bliksem en vreemde wezens blijft aanwezig. Door de toegenomen kennis van de realiteit ontstaan nieuwe angsten. Zo neemt de angst voor lichamelijke letsels en voor oorlogen en rampen toe.
- Sociale interactie
– raken maatschappelijk meer betrokken
– willen graag dat de groep hen accepteert en conformeren zich aan de groepsnormen
– gaan nadenken over levensvragen, over wat goed en slecht is en over waarden en normen. In gesprekken hierover hebben ze wel vaak nog een mening waarvan ze denken dat voor hen belangrijke volwassenen die op prijs stellen
– regels passen ze aanvankelijk star toe ‘zoals het hoort’, maar door hun groeiende autonomie kijken ze steeds kritischer naar regels en gedrag van ouders en andere volwassenen
- Vriendschappen
– uitzoeken met wie ze het beste overeenkomen
– vriendschappen zijn naast samen spelen erg belangrijk, omdat wederzijdse acceptatie en steun hen het gevoel geven ergens bij te horen
– spelen vooral met kinderen van eigen geslacht
– loyaliteit is van toenemend belang
- Voorbeeldfunctie
– kijken vooral op naar de leerkracht
Kinderen met gehoorverlies hebben een groter risico tot het ontwikkelen van sociaal-emotionele problemen. Zowel taal als incidenteel leren hebben een grote invloed hierop. Verder hebben kinderen met gehoorverlies vaak zwakkere executieve functies en een zwakkere Theory of Mind (ToM).
Als een kind talig niet zo snel is, raakt hij/zij mensen misschien wat sneller aan, geeft het kind mogelijk iemand een duwtje als hij/zij graag wil spelen. De ander vat dat echter soms heel anders op, waardoor kinderen elkaar even niet meer begrijpen. Bovendien starten slechthorende kinderen het contact met anderen vaak op een non-verbale manier, bijvoorbeeld door bij iemand te gaan staan, een gebaar te maken, of te wijzen. Horende kinderen kunnen minder gericht zijn op zulke seintjes, waardoor ze niet merken dat hun slechthorende leeftijdgenootje het initiatief neemt tot samen spelen of praten.
Soms heeft een slechthorend kind extra uitleg nodig over wat wel en wat niet gewenst of gepast is, wat anderen wel of niet opmerken en welke verschillende manieren van communiceren er zijn. Aanvankelijk leert het kind voornamelijk thuis een heleboel over sociale relaties, maar in de klas en op de speelplaats worden vervolgens ook belangrijke oefenplekken. Soms kan een kind hulp van een leerkracht of andere volwassene gebruiken, zoals bij het maken van afspraken tijdens het spelen of bij het oplossen van een ruzie.
Slechthorende kinderen horen of verstaan niet altijd. Dat leidt soms tot misverstanden. Dit kan hen onzeker maken en frustreren. Zo spreken kinderen tijdens het spelen vaak regeltjes af, die een slechthorend kind kan gemist hebben. Ook hoort of begrijpt een slechthorende niet dat een uitspraak grappig bedoeld is, waardoor hij zich aangevallen voelt.
Het niet kunnen begrijpen of begrepen worden kan een kind met gehoorverlies onrustig of boos maken. Andere kinderen trekken zich dan weer meer terug. Ook kan een kind vaker gaan klagen over pijntjes, slecht eten en/of slecht slapen door dit machteloze gevoel.
Een kind dat niet goed hoort, begrijpt hierdoor minder de gevoelens en wensen van anderen. Ook het inzicht in de eigen emoties is moeilijker voor een kind met gehoorverlies omwille van een kleinere emotiewoordenschat. Daarnaast kan een kind met gehoorverlies zich moeilijker in de emoties van een ander verplaatsen. Het moet vooral zien wat een ander voelt en bedoelt.
De tegenstrijdige behoefte om zich enerzijds te willen onderscheiden, een eigen identiteit te ontwikkelen en anderzijds om erbij te horen, kan een voedingsbodem vormen voor pesten, machtsuitoefening en groepsdruk.
Bijvoorbeeld: kinderen kunnen samen een kind met gehoorverlies pesten, omdat het er anders uitziet en het onder druk zetten om iets te doen zodat het wel bij de groep mag horen. Andere kinderen kunnen meedoen aan het pesten, omdat ze ook niet de kans op buitensluiting willen lopen.
Een kind met gehoorverlies is zich (steeds meer) bewust van zijn gehoorverlies en hoorhulpmiddelen en kan zich hierdoor onzeker voelen. Vooral wanneer de leeftijdsgenoten het kind met gehoorverlies gaan pesten of uitsluiten heeft dit een grote impact op het zelfvertrouwen en eigenwaarde van het kind.
Deij, A. (2013). Gehoord worden: omgaan met slechthorendheid. Leuven: Acco.
Gezonde Kinderopvang. (z.j.). Sociaal-emotionele ontwikkeling per leeftijdscategorie.
Mamaliefde. (2019). Sociaal-emotionele ontwikkeling schoolkind van 6 tot 12 jaar [Foto].
Oudersenzo.nl. (2017). De grens tussen plagen en pesten [Foto].