Kinderen met een gehoorverlies lopen extra risico op het ontwikkelen van een achterstand op vlak van spraak en taal. Een zeer belangrijke factor hierbij is het incidenteel leren.
Omdat het gehoor aan de spraak gelinkt is, hebben kinderen met gehoorverlies een groter risico op spraakproblemen. Elk gehoorverlies, hoe minimaal ook, heeft een negatieve impact op de spraakontwikkeling van kinderen doordat de auditieve ontwikkeling nauw samenhangt met de spraakontwikkeling. Op de leeftijd van 6 maanden gaat het horen de spraak meer sturen. Dit wordt audiolinguale feedback genoemd. Hierdoor kan het kind zichzelf horen, wat hij zegt eventueel corrigeren en vergelijken met woorden uit zijn omgeving.
Het onderscheiden van auditief gelijkende medeklinkers (bijvoorbeeld p, b en m of f, s en sj) is moeilijker voor kinderen met gehoorverlies. Deze klanken kunnen als hetzelfde worden waargenomen, waardoor articulatiefouten sneller gemaakt worden. Ook horen kinderen met gehoorverlies vaak onbeklemtoonde delen van een woord niet (bijvoorbeeld ‘je’ in bedje of ‘ge’ in geslapen). Deze stukjes van een woord worden minder nadrukkelijk uitgesproken en zijn dus ook minder goed hoorbaar. Zo kan vaak aan de spraak van een kind met gehoorverlies worden opgemerkt welke klanken het niet goed of vervormd waarneemt.
Slechthorende kinderen kunnen meer moeite met taal hebben dan hun leeftijdsgenoten. In een rumoerige omgeving (bijvoorbeeld de klas) horen ze onbeklemtoonde klanken, lettergrepen en woorden vaak niet. Het verschil tussen bijvoorbeeld ‘loop’ en ‘loopt’ is dan niet hoorbaar. Hierdoor zal een slechthorend kind eerder ‘hij loop’ zeggen in plaats van ‘hij loopt’.
Ook de woordenschat en kennis van abstracte begrippen kunnen nog minder goed ontwikkeld zijn. Abstracte begrippen kun je niet zien, ruiken of voelen (bijvoorbeeld: woorden zoals ‘knap’, ‘natuurlijk’ en ‘oorzaak’). Goedhorende leeftijdsgenootjes kunnen vaak al gemakkelijker over dit soort zaken praten, terwijl slechthorende kinderen zich nog meer op concrete onderwerpen richten.
Ook figuurlijke taal zoals ‘hij heeft een hart van goud’, ‘ik heb er mijn buik van vol’, spreekwoorden en grapjes, moppen en raadsels, hebben regelmatig nog extra uitleg nodig. Het is dan ook logisch dat het zelf maken van grapjes en het gebruiken van taal op een flexibele, handige en creatieve manier, voor slechthorende kinderen moeilijker is dan voor goedhorende kinderen.
Verder kan het leren van een taal extra moeilijk zijn als je slechthorend bent. Dat geldt voor je eigen taal, maar ook voor een vreemde taal. Andere talen hebben vaak andere klanken. Ze klinken niet alleen anders, maar zien er ook anders uit: iemand die Frans praat, toont een mondbeeld dat verschilt van het mondbeeld van iemand die Nederlands spreekt. Dat maakt het spraakafzien* moeilijker.
TIP
Veel woorden spreek je anders uit dan je ze schrijft. Schrijf belangrijke, veelvoorkomende en lastige woorden ook eens op zoals ze klinken. Dat geldt voor moeilijke woorden bij het leren van Frans en Engels, maar ook voor ingewikkelde termen bij andere vakken (bijvoorbeeld: acquisitie “akwieziesie” of bonjour “bonjoer”). Zo leert een kind met gehoorverlies de correcte uitspraak.
* Spraakafzien (in de volksmond ‘liplezen’ genoemd) is het aflezen van klanken van iemands mond gecombineerd met informatie uit non-verbale informatie zoals gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal. Spraakafzien wordt door slechthorenden gebruikt om de hoorbare informatie die ze missen aan te vullen.
Overzicht van mogelijke problemen op vlak van taal:
Taalbegrip
- Missen van samenhang tussen taal en gebeurtenissen. Begrijpen in welke situatie welk woord hoort, is moeilijk doordat kleine verschillen niet of slecht gehoord worden.
Bijvoorbeeld: de woorden boom, boos, boor, boot en boon klinken bijna hetzelfde.
- Meer tijd nodig voor het verwerken van talige boodschappen in vergelijking met leeftijdsgenoten.
Bijvoorbeeld: het kind is nog bezig met het verwerken van de uitleg, terwijl andere kinderen mogelijk al met de opdracht of het spelletje begonnen zijn.
- Moeite met het begrijpen van figuurlijke taal.
Bijvoorbeeld: spreekwoorden, mopjes en raadsels.
Taalproductie
- Onvoldoende hoorbaarheid van gesproken taal leidt tot een zwakke gesproken taal van het kind zelf.
Bijvoorbeeld: minder vragen stellen, minder imiteren van conversaties.
- Beschikken over een beperkte woordenschat in vergelijking met leeftijdsgenoten: door het minder (vaak) horen, kent een kind met gehoorverlies mogelijks minder woorden en minder (gerelateerde) woordbetekenissen.
Bijvoorbeeld: minder kennis van abstracte begrippen.
- Meer moeite met morfologie: complexere woorden (zoals afleidingen en samenstellingen) en het vervoegen/verbuigen van werkwoorden.
Bijvoorbeeld: meer fouten maken tegen de eindklank van het werkwoord bij de persoonsvorm.
- Meer moeite met syntaxis: zinsbouw.
Bijvoorbeeld: minder lange spontane zinnen maken.
- Meer moeite met pragmatiek: het hanteren van grammaticale regels in een verhaal of gesprek.
Bijvoorbeeld: minder grammaticaal complexe uitingen zoals bijzinnen of passieve zinnen.
Moeite met taal kan een invloed hebben op het leren rekenen. Woorden zoals ‘optellen’, ‘schatten’, ‘middelste’, ‘minder’, ‘keer’, ‘erbij’… moet je goed snappen om te begrijpen wat de samenhang tussen getallen is. Probeer sommen zo visueel mogelijk te maken. Concreet materiaal is daarbij een zinvol hulpmiddel.
Bent u op zoek naar meer tips? Klik hier!
-
Deij, A. (2013). Gehoord worden: omgaan met slechthorendheid. Leuven: Acco.
-
De Smit, M., Franceus, J., Kerkhofs, K., & Vandaele, B. (2021). Gehoorverlies bij kinderen: handboek voor audiologen en logopedisten. Leuven: Acco.
-
Jeugdfonds Sport & Cultuur (z.j.). Ook in jouw klas groeien kinderen op in armoede [Foto].
-
Rodenburg, M. (2017). Geen goed gehoor; wat nu? (6de dr.). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.