Executieve functies

Executieve functies zijn hogere denkprocessen die zorgen dat we gedrag, gevoelens en gedachten kunnen sturen om doelgericht en sociaal gedrag te stellen.

Wat zijn de executieve functies en wat houden ze in? 
Bron: De Zeeuwse Knoop
  • Responsinhibitie 
    Het vermogen om het denken of gedrag om een bewuste actie te ondernemen, uit te stellen. Voorbeeld: Kobe antwoordt meteen op de vraag zonder zijn hand op te steken.
  • Werkgeheugen
    Het vermogen om informatie in het geheugen tijdens de uitvoering van complexe taken vast te houden. Voorbeeld: Mama stuurt Jonas naar de winkel. Hij moet 5 ingrediënten meebrengen. Eens in de winkel herinnert hij zich maar 3 ingrediënten meer…
  • Emotieregulatie
    Het vermogen om emoties te reguleren om doelen te realiseren, taken te voltooien of gedrag te controleren. Voorbeeld: Aaron blijft vaak hangen in zijn negatieve emotie. Het duurt lang voor hij gekalmeerd is en op hem inpraten lukt vaak niet.
  • Volgehouden aandacht 
    Het vermogen om de aandacht erbij te houden, ondanks afleidingen, vermoeidheid of verveling. Voorbeeld: Stien moet 10 rekenoefeningen maken. Ze hoort buiten de kinderen op de speelplaats. Ze is afgeleid en kan zich niet meer concentreren.
  • Taakinitiatie
    Het vermogen om zonder aarzelen op tijd en op een efficiënte manier met projecten te beginnen. Voorbeeld:  Wanneer de zorgleerkracht Lore komt halen in de klas, moet ze altijd nog iets drinken of eten. Ze wil ook nog altijd even naar het toilet…
  • Planning/ prioritering & organisatie
    De vaardigheid om een plan te bedenken om een doel te bereiken of een taak te voltooien. Hierbij moet je ook in staat zijn beslissingen te nemen over wat wel en/of niet belangrijk is. Het vermogen om dingen volgens een bepaald systeem op te lossen of te ordenen. Voorbeeld: Lio zijn boekentas is een grote puinhoop. Hij vindt nooit meteen wat hij zoekt om zijn huiswerk te kunnen maken.
  • Timemanagement
    Het vermogen om in te schatten hoeveel tijd je hebt, hoe je die kunt indelen en hoe je je aan tijdslimieten en deadlines kunt houden. Voorbeeld: De ochtendroutine is voor Fenna een probleem. Binnen de 40minuten moet ze zich wassen, aankleden en ontbijten. Als ze klaar is, mag ze van mama nog even op de iPad. De tijd is er echter nooit…
  • Doelgericht doorzettingsvermogen
    Het vermogen om een doel te formuleren, dat te realiseren en daarbij niet afgeleid of afgeschrikt te worden door andere behoeften of tegengestelde belangen. Voorbeeld: Roos moet elke dag een taakje maken op smartschool. Ze kiest er eentje uit, maar dat blijkt een moeilijke te zijn. Het gaat niet snel genoeg en ze wordt boos. Ze wil een ander taakje kiezen.
  • Flexibiliteit 
    De vaardigheid om plannen te herzien wanneer er zich belemmeringen of tegenslagen voordoen, er zich nieuwe informatie aandient of er fouten gemaakt worden. Het gaat daarbij om aanpassing aan veranderende omstandigheden. Voorbeeld: Op dinsdag eindigt de dag telkens met een muzieklesje. Aangezien de taalles wat is uitgelopen, verplaatst de leerkracht de muziekles naar woensdag. Arthur is overstuur.
  • Metacognitie 
    Het vermogen om een stapje terug te doen om jezelf en de situatie te overzien, om te bekijken hoe je een probleem aanpakt. Het gaat daarbij om zelfmonitoring en zelfevaluatie. Voorbeeld: De juf geeft Theo 10 maaltafels. Hij maakt ze heel snel, geeft het blaadje aan de juf en roept ‘klaar!’
MOEILIJKHEDEN BIJ KINDEREN MET GEHOORVERLIES

Uit onderzoek blijkt dat kinderen met gehoorverlies, ondanks vroegtijdigheid en goede follow-up, zwakkere executieve functies uitbouwen door een gebrek aan incidenteel leren*. Ook blijkt er een grote samenhang te zijn tussen executieve functies en de schoolse resultaten enerzijds en het sociaal-emotionele functioneren anderzijds.

* Incidenteel leren is een vorm van leren waarbij de omgeving het leren niet stuurt of plant. Het gebeurt onbewust tijdens het uitvoeren van dagelijkse activiteiten, bijvoorbeeld door het volgen van gesprekken tussen volwassenen tijdens het spelen, het luisteren naar de radio, het kijken naar de televisie en het samen spelen met leeftijdsgenoten. Maar liefst 90% van al het leren vindt op deze manier plaats.
Een voorwaarde om tot incidenteel leren te komen is het kunnen horen van stille spraak, spraak op afstand en spraak in lawaai. Er wordt gesteld dat kinderen met gehoorverlies altijd, zelfs met de beste hoorapparaten of cochleaire implantaten (CI), gesproken informatie zullen missen. Dit omdat hoortoestellen en cochleaire implantaten enkel optimaal functioneren in een stille omgeving en dicht bij de geluidsbron. Het merendeel van de kinderen met gehoorverlies komt niet, of zeer beperkt, tot incidenteel spraakverstaan waardoor ze vele leerkansen missen.

Emotieregulatie

Een kind dat niet goed hoort, begrijpt hierdoor minder de gevoelens en wensen van anderen. Ook het inzicht in de eigen emoties is voor een kind met gehoorverlies moeilijker door het bezitten van een kleinere emotiewoordenschat. Daarnaast kan een kind met gehoorverlies bijvoorbeeld onrustig of boos worden uit frustratie, omdat het iets niet begrijpt of niet begrepen wordt.

Impulsinhibitie

Een kind met gehoorverlies moet een groter beroep doen op zijn/haar impulscontrole (inhibitie) om zijn/haar aandacht op de geluidsbron te richten en niet afgeleid te worden door omgevingslawaai of andere afleidende prikkels. Ook kan het zijn dat een slechthorend kind  in de klas vaker om zich heen en achter zich kijkt. Dit omdat sommige dingen niet goed gehoord worden of het kind niet weet waar het geluid vandaan komt. Mogelijks zal een kind met gehoorverlies ook sneller van zijn/haar stoel opstaan.

Werkgeheugen

Het werkgeheugen van kinderen met gehoorverlies wordt meer belast dan dat van goedhorende leeftijdsgenoten. Er is meer concentratie en visuele compensatie vereist om betekenis aan een gehoorde boodschap te geven. Zelfs in stilte, maar vooral in lawaai hebben kinderen met gehoorverlies een slechtere kwaliteit van spraakinput.

Cognitieve flexibiliteit

Cognitieve flexibiliteit is onder andere afhankelijk van impulsinhibitie en het werkgeheugen. Deze functie heeft een kind nodig wanneer een situatie verandert en het zijn/haar gedrag moet aanpassen of als het iets vanuit een ander standpunt moet bekijken. Zo kunnen kinderen met gehoorverlies moeite hebben met het bedenken van alternatieve manieren om een probleem op te lossen en blijven ze langer steken bij de eerst gekozen aanpak.

Problemen op vlak van executieve functies worden ook geassocieerd met stoornissen zoals AD(H)D en Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Bij kinderen met gehoorverlies is de differentiaaldiagnose niet vanzelfsprekend. Het behandelend team zal altijd eerst nagaan of de problemen niet toe te kennen zijn aan de zwakkere taalvaardigheden en het beperkt incidenteel leren.

Meteen aan de slag? Klik hieronder voor 5 principes voor het stimuleren van de executieve functies!

Dit boek kan helpen om de executieve functies op school te verbeteren.  Er worden praktische en direct toepasbare hulpmiddelen en strategieën besproken. De auteurs baseren hun aanbevelingen op zowel op de wetenschap als hun eigen ervaringen uit de klas. 

BRONNEN
  • Deij, A. (2013). Gehoord worden: omgaan met slechthorendheid. Leuven: Acco.

  • De Jonge Helden. (z.j.). Executieve functies; kaarten.
  • De Smit, M., Franceus, J., Kerkhofs, K., & Vandaele, B. (2021). Gehoorverlies bij kinderen: handboek voor audiologen en logopedisten. Leuven: Acco.
  • Kronenberger, W. G., Huiping Xu, & Pisoni, D. B. (2020). Longitudinal Development of Executive Functioning and Spoken Language Skills in Preschool-aged Children With Cochlear Implants. Journal of Speech, Language & Hearing Research, 63 (4).